Soorten bladluizen

Gezien de bladluizen een zeer grote groep vormen, is het onmogelijk om binnen dit kader alle soorten te bespreken. We beperken ons daarom tot de belangrijkste soorten die vaak voorkomen in de hobbytuin. Daarbij denken we aan de groene bladluis, boterbloemluis, melige koolluis, zwarte bonenluis, slaluis, groene perzikluis, appelgrasluis, groene appeltakluis, beukenbladluis, ...

Gelukkig voor u is het niet nodig om de bladluizen van elkaar te kunnen onderscheiden om een natuurlijke vijand daartegen uit te zetten. De nuttige insecten zoals larven van lieveheersbeestjes en larven van gaasvliegen eten gelukkig alle soorten bladluis!

Zwarte bonenluis (Aphis fabae)

zwart van kleur, gevleugelden en ongevleugelden zijn 1.7 tot 2.7 mm groot, breed ovaal van vorm. De zwarte bonenluis leeft altijd in kolonies en wisselt van waardplant. Winterwaardplanten zijn Kardinaalsmuts, Gelderse roos en Sneeuwbal. In april-mei verhuizen ze naar zomerwaardplanten zoals bonensoorten en suikerbiet. Ook sierheesters en zomerbloemen kunnen last hebben van de zwarte bonenluis.

Groene perzikluis (Myzus persicae)

1.2 tot 2.7 mm grote luis die vooral voorkomt op groenten en meer specifiek op nachtschade-achtigen zoals aardappel, tomaten, paprika’s. De aanwezigheid van de luis is te herkennen aan het omkrullen van de bladeren. De groene perzikluis kan in verschillende kleuren voorkomen gaande van wit-groen, lichtgeel, grijs-groen, rose of rood. Ze wisselen ook van waardplanten. De overwintering gebeurt in ei-vorm op Prunus-soorten met als hoofdwaardplant de perzik, vandaar ook de naam. Ook de Amerikaanse vogelkers, die best altijd gerooid wordt omwille van zijn agressief karakter, is een belangrijke winterwaardplant. Als adult overwinteren ze gemakkelijk op groenten in verwarmde kassen. Er ontwikkelen zich altijd eerst enkele generaties op de winterwaardplanten vooral ze vanaf mei migreren naar de zomerwaardplanten zoals aardappel, suikerbiet, kolen, tomaat, paprika, aubergine, sla en snijbloemen. De groene perzikluis is bekend als virusoverbrenger. Hij is in staat minstens 100 virussen over te brengen waardoor de luis zeer gevreesd is in aardappel- en suikerbietteelt bij de boeren.

Katoenluis (Aphis gossypii)

Katoenluis komt in kassen voor op komkommer, meloen en paprika maar komt ook veel buiten voor op een groot aantal groentegewassen. Buiten vormt de katoenluis meestal geen plaag omdat de temperatuur over het algemeen te laag is om zich snel te ontwikkelen. In kassen daarentegen kunnen ze explosief toenemen op zeer korte tijd. De lichaamskleur varieert van lichtgeel tot lichtgroen of zwart-groen. De luis is klein, maximum 2 mm groot, ze worden gekenmerkt door rode ogen en korte antennen. De katoenluis kan veel virussen overbrengen waaronder het gevreesde komkommermozaïekvirus.

Aardappeltopluis (Macrosiphum euphorbiae)

is een luis die op veel gewassen voorkomt zoals aardappel, roos, tomaat, aubergine en sla. De volwassenluis is 4 mm lang, rose of groen van kleur. De levenscyclus is vergelijkbaar met die van de groene perzikluis. Overwinteren kan als ei maar in verwarmde kassen ook als volwassen luis.

Boterbloemluis (Aulacorthum solani)

komt vooral voor in aardappel, sla, paprika, boon, aubergine en soms tomaat. De boterbloemluis is groen van kleur en overwintert als levendbarend vrouwtje op verschillende planten en kent dus geen seksuele voortplanting in de herfst zoals de meeste andere luizensoorten.

Melige koolluis (Brevicoryne brassicae)

is een luis die op kruisbloemigen voorkomt en daardoor het meest aangetroffen wordt op koolsoorten. De kleur van de melige koolluis is grijsachtig groen of dofgroen, maar lijkt grijs door het wasachtige poeder op het lichaam. Ze is 2 mm groot en kan grote kolonies vormen aan de onderkant van koolbladeren. De bladeren krijgen bobbels, krullen om en kunnen paarsachtige vlekken vertonen. Ook op spruiten kan de koolluis zich vestigen wat vaak tot zwarte, vuile spruitjes leidt. De melige koolluizen overwinteren op kruisbloemigen (herderstasje) als ei en gaan van mei zich verplaatsen naar jonge koolplanten. De melige koolluis kan 20 verschillende virussen overbrengen, zowel persistente als non-persistente, zoals bloemkoolmozaïekvirus en slavergelingsvirus.

Appelgrasluis (Rhopalosiphum insertum)

is een luis die op appel (winterwaardplant) overwintert en vanaf mei verhuist naar grassen (zomerwaardplanten). Ze veroorzaakt weinig schade aan appel. In het voorjaar na het uitkomen van de wintereieren gaan de eerste generaties luizen de knoppen van appels innemen en kan dit leiden tot het krullen van de rozetbladeren. Pas als er een hoge dichtheid aan luizen aanwezig is, kan dit gevolgen hebben op de vruchtzetting en is het noodzakelijk om in te grijpen. De appelgrasluis is 2 tot 3 mm groot, de kleur is geel-groen met een donkergroene middenstreep of donkere vlekken. Hun lichaam is bedekt met een wasachtige poeder.

Groene Appeltakluis (Aphis pomi)

komt voor op roosachtigen zoals appel, peer, lijsterbes, coteneaster, meidoorn en andere houtachtigen. Op deze planten worden ook de wintereieren afgelegd, het is geen waardwisselende soort. Ze blijven dus winter en zomer aanwezig op deze soorten. Het is een luis die zich enkel kan ontwikkelen op jonge scheuten van planten. Daarom zal je in de oude boomgaard enkel gedurende enkele maanden(juli-augustus) last hebben van de groen appeltakluis namelijk op het moment dat er jonge scheuten aanwezig zijn. De groene appeltakluis is 2 mm groot en groen van kleur. Door de zuigactiviteit van de luis gaan bladeren krullen maar ze zorgen niet voor vermindering van productie bij volgroeide bomen. Bij jonge aanplantingen kunnen ze wel tot misvorming van scheuten leiden en kan je best bestrijden.

Wollige beukenbladluis (Phyllaphis fagi)

heeft als enige waardplant de beukenhagen en beukenbomen. Er vindt dus geen waardwisseling plaats. De luis overwintert als ei op beuk in de bast of in de bladoksels en vanaf april ontwikkelen zich de eerste larven die zich vastzetten op de nog niet ontluikende bladeren van de beuk. De luis is maar 2 mm groot, witblauw van kleur maar dit valt niet op door de witte wasdraden die ze uitscheiden. Het meest opvallende kenmerk is de wollige wasafscheiding die aan de luizen blijft plakken. Er zijn zowel gevleugelde als ongevleugelde exemplaren. De gevleugelde beukenbladluis wordt vaak verward met witte vliegen. Echter witte vlieg komt niet voor op de beukenhagen. Bij een aantasting van beukenbladluizen ontstaan geelbruine vlekken op de bladeren, die daarna gaan opkrullen en uiteindelijk verdrogen. Scheutmisvorming en zware groeiremmingen kunnen eveneens voorkomen. Vooral jonge planten lijden erg onder deze aantasting en moeten zeker behandeld worden, anders zullen ze afsterven.

Categorieën: Bladluizen