Natuurlijke vijanden van bladluizen

Er zijn enorm veel nuttige insecten die bladluizen bestrijden, hetzij door ze leeg te zuigen (op te eten), hetzij door ze te parasiteren.

Lieveheersbeestjes

Dit zijn de meest geliefde en meest bekende nuttige bestrijders van bladluis. Zowel de larven als de volwassen lieveheersbeestjes eten bladluis. Er zijn vele soorten in Belgë en Nederland bekend. De 2 meest gebruikte en gekweekte lieveheersbeestsoorten zijn het tweestippig en het zevenstippig lieveheersbeestje. Beiden zijn eenvoudig te gebruiken omdat ze alle soorten bladluizen eten. Je moet dus je geen zorgen maken over welke bladluissoort je hebt. Lieveheersbeestjes overwinteren als volwassen insect in de tuin, in strooisel, tussen hout, in boomschors, in bloemknoppen e.d. Op het moment dat de zon de natuur op warmt, komen de eerste bladluizen en met hen ook de eerste lieveheersbeestjes. Indien je van nature onvoldoende lieveheersbeestjes hebt, kan je gekochte exemplaren uitzetten.

Chrysopa

Iedereen kent de lieveheersbeestjes maar veel minder mensen kennen Chrysopa. Chrysopa carnea is een inheemse gaasvlieg die veel in België en Nederland voorkomt. De larven van deze gaasvlieg eten massa’s bladluizen. Ze zijn gecommercialiseerd, je kan ze dus aankopen. De larven van chrysopa eten evenveel en even snel als de larven van lieveheersbeestjes. Zeker en vast een goed alternatief voor de larven van lieveheersbeestjes, temeer als je grote oppervlakten moet behandelen. Bijvoorbeeld grote oppervlakten hagen waar de wollige beukenbladluis op huist of grote bomen met bladluizen, kunnen effectief met deze larven bestreden worden. Ook gemeenten maken regelmatig gebruik van de larven van chrysopa om bladluizen in het openbaar groen te bestrijden. Bovendien zijn ze veel goedkoper dan larven van lieveheersbeestjes. Een te overwegen alternatief!

Uit onderzoek blijkt dat gaasvliegen voorkeur hebben voor de planten waarop ze hun eitjes willen afzetten. Behaarde en grote bladeren krijgen blijkbaar de voorkeur boven wasachtige of kleine bladeren. Zo werden tijdens een onderzoek in Zwitserland 75% van al de gaasvlieg eitjes terug gevonden op bernagie (syn. blauwbekje), 5 tot 12% op de gewone hennepnetel, de grote klaproos en de vaste lupine. Hiermee kan je rekening houden bij het inzaaien van een wilde bloemenmengsel. De volwassen groene gaasvliegen zijn betreffende hun voeding volledig aangewezen op pollen, nectar en honingdauw. Uit maag- en uitwerpselenonderzoek blijkt dat het merendeel van de pollen afkomstig is van Euphorbiaceae gevolgd door Poaceae, Salicaceae, Asteraceae en Apiaceae.

Zweefvliegen

In België en Nederland komen een 300 soorten zweefvliegen voor. Zweefvliegen lijken qua uiterlijk op bijen en wespen maar steken niet en zijn nuttige insecten. Ze onderscheiden zich van wespen en bijen omdat ze maar 1 paar vleugels hebben waardoor ze zich gemakkelijk kunnen wenden in de lucht. Het meest typische gedrag van zweefvliegen is het kunnen stil hangen in de lucht vooraleer ze weer verder vliegen. Aan dit gedrag danken ze trouwens hun naam. De volwassen zweefvliegen zijn volledig afhankelijk van nectar en pollen, zij eten geen bladluizen. De larven van sommige zweefvliegen voeden zich wel met bladluizen. Als we deze insecten het hele seizoen in de tuin willen hebben, moeten we zorgen dat er van vroeg in het voorjaar, reeds vanaf eind februari tot laat in de herfst bloemen aanwezig zijn, hetzij door een wilde bloemenweide, hetzij door struikachtige bloeiende gewassen die ze ook veelvuldig bezoeken.

Mogelijkheden zijn:

  • Maart, april: herderstasje, akkerviooltje, witte krodde.
  • Mei, juni: herik, phacelia, raapzaad, margriet, zevenblad, peen
  • Juli, augustus: korenbloem, akkermelkdistel, boekweit, gewone steenraket, bernagie, middelste teunisbloem, pastinaak
  • September, oktober: korenbloem, margriet, boerenwormkruid, wilde cichorei

Oorwormen

Oorwormen worden van oudsher beschouwd als nuttige roofinsecten die bladluizen bestrijden. Vooral in hoogstamfruitbomen waar geen chemische bestrijding plaats vindt, kan je veel oorwormen terug vinden, soms ook in het fruit zelf. Echter is bekend dat oorwormen nooit als eerste van fruit zullen eten. Ze doen zich hieraan pas te goed als het fruit al beschadiging vertoont. Oorwormen voeden zich niet alleen met bladluizen en wollige bloedluis die flink kunnen huishouden in fruitbomen maar ook met eieren van insecten, kleine rupsen, kommaschildluis, perebladvlo, mijten, larven en eieren van appelmade en algen. Het zijn werkelijk de beste opruimers in uw tuin dus alle reden om hen te sparen en aan te trekken. De meest bekende methode is omgekeerde bloempotjes gevuld met busseltjes stro in de fruitbomen ophangen. Deze hang je in het voojaar op. In de winter overwinteren de oorwormen in de grond en in het voorjaar (april-mei) trekken ze op jacht in de fruitbomen en zoeken ze nestplaatsen om een nieuwe generatie te stichten.

Vogels

Vogels en zeker koolmezen, pimpelmezen, mussen en merels zijn echte bladluis eters.

Galmug Aphidoletes Aphidimyza

Dit zijn nuttige, inheemse insecten waarvan de larven bladluizen eten. De galmug is geen echte mug en steekt dus niet. Ze lijkt qua uiterlijk op een mug maar voedt zich met nectar en pollen. Er zijn verschillende galmuggen bekend waarvan de larven bladluizen eten. Aphidoletes is de meest algemeen voorkomende soort waarvan de larven een zestigtal bladluissoorten op verschillende gewassen kunnen bestrijden. De larven worden maar 2.5 mm groot en kunnen verschillende kleuren (rood, geel, oranje, bruin) aannemen naargelang het voedsel dat ze eten. De bladluizen worden eerst door een gif verlamd, daardoor lost de inhoud van het lichaam van de luis zich op en kunnen de larven dit opzuigen. De poppen van de galmug moeten in een vochtige grond kunnen verpoppen. Apidoletes wordt als pop verkocht en moeten uitgestrooid worden op de grond in de buurt van de bladluisaantasting. Poppen worden vaak door mieren weggesleept omdat ze deze herkennen als natuurlijke vijanden van bladluizen. Daardoor komt de bestrijding vaak in het gedrang en raden we dit niet aan om buiten of in kassen te gebruiken.

Aphidoletes is wel een zinvolle bestrijder voor orangeries of kantoorbeplantingen omdat de volwassen muggen vliegen en eieren kunnen afleggen tussen bladluiskolonies die zich hoog in de planten bevinden.

Sluipwespen

Sluipwespen klinken misschien griezelig in je oren maar zijn volledig onschadelijk voor mensen en totaal niet vergelijkbaar met gewone wespen. Op de eerste plaats zijn sluipwespen zeer klein en met het blote oog niet waarneembaar als je geen kenner bent. De grootte van de sluipwesp is afhankeijk van de grootte van de bladluis die ze parasiteren. Parasiteren betekent dat de sluipwesp een eitje legt in de bladluis. In de bladluis ontwikkelt zich een nieuwe sluipwesp. De geparasiteerde bladluis zwelt hierdoor op en wordt een leerachtig, bruin omhulsel. Dit wordt een mummie genoemd. Hieraan herken je de aanwezigheid van sluipwespen. Op het moment dat de sluipwesp is volwassen geworden in de mummie, verlaat ze haar gastheer (de bladluis) door een rond gaatje te maken in de mummie. Veel sluipwespen maken een goudgele mummie, alhoewel ook zwarte mummies kunnen voorkomen. In de natuur vinden we soms ook sluipwespen die een soort sokkel maken onder de oude bladluishuid waarin ze verpoppen.

Er zijn ook sluipwespen die andere sluipwespen parasiteren, men spreekt dan van hyperparasiteren. Ze zijn te herkennen aan een gekartelde rand rond de plaats waar ze uitkomen ipv een rond gaatje. De belangrijkste soort sluipwespen is Aphidius, een sluipwesp die tot 40 soorten luizen kan parasiteren. Ze worden gecommercialiseerd (Aphidius Colomani en Aphidius Ervi) en veelvuldig uitgezet in de kassen.

Categorieën: Bladluizen